Je kind komt thuis met een half leeg schoolschrift en een verhaal dat niet klopt. De juf of meester zegt: “Hij is zo slim, maar hij vergeet alles.” Of: “Ze kan zich gewoon niet concentreren.” Jij als ouder voelt aan alles dat het meer is dan luiheid of koppigheid.
▶Inhoudsopgave
Het zijn executieve functieproblemen. Maar hoe krijg je de school zover dat ze dit écht zien en er wat aan doen? Simpel: door de juiste vragen te stellen.
Executieve functies zijn de hersenprocessen die je helpen bij het plannen, organiseren, starten, volhouden en afronden van taken.
Denk aan werkgeheugen, flexibiliteit en inhibitie (remmen van impulsen). Als dit niet soepel loopt, faal je niet omdat je niet wilt, maar omdat je brein het even niet trekt. De school moet hierin jouw partner zijn.
Om dat gesprek goed te voeren, helpt het om met een lijstje vragen de vergadering in te gaan. Zo laat je zien dat je je hebt verdiept en dat je wilt samenwerken, niet vechten.
De opening: van vermoeden naar feiten
Begin met feiten, niet met gevoel. Vraag wat de school precies ziet.
Wat zie jij in de klas?
Zeg niet meteen wat jij denkt, maar vraag door. Zo creëer je ruimte voor een open gesprek.
Hoe ziet de leerling zichzelf?
Vraag: “Wat zie jij precies bij mijn kind in de klas? Op welke momenten loopt het mis?” Een leerkracht die zegt “hij is druk” kan bijvoorbeeld bedoelen dat hij moeite heeft met starten, met stoppen of met wisselen tussen taken. Vraag om concrete voorbeelden: “Kun je een situatie beschrijven van afgelopen week?” Zo krijg je geen oordeel, maar observaties.
Vraag: “Heeft mijn kind zelf door dat het lastig gaat?” Kinderen met executieve problemen zijn vaak kritisch op zichzelf of juist totaal niet bewust van hun valkuilen. Vraag ook: “Wat zegt je kind zelf over plannen, huiswerk of rommel in de tas?” Dit vertelt je veel over zelfinzicht en motivatie.
De schoolomgeving: structuur en hulp
Executieve problemen verergeren of verbeteren door de omgeving. Een overzichtelijke klas helpt, een chaotisch lokaal niet.
Welke aanpassingen zijn er al?
De school kan veel doen zonder dat het direct geld kost. Vraag: “Welke aanpassingen zijn er al ingezet en wat was het effect?” Denk aan een rustige werkplek, een visuele agenda, een stappenplan bij taken, of extra tijd bij toetsen. Vraag ook: “Hoe wordt mijn kind ondersteund bij het starten en afronden van taken?” Een leerkracht kan bijvoorbeeld taken opdelen in kleine stapjes, taken starten met een timer, of een vaste plek geven voor spullen. Vraag: “Welke ondersteuning krijgt mijn kind nu en hoe vaak?” Soms is er een handelingsplan, maar is de uitvoering minimaal.
Werkt het ondersteuningsaanbod?
Vraag: “Hoe wordt er samengewerkt met de intern begeleider of zorgcoördinator?” En: “Zijn er materialen beschikbaar die helpen, zoals een time-timer, een visueel takenbord of een stappenplan?” Vraag: “Hoe wordt huiswerk georganiseerd en wie helpt bij het plannen?” Executieve problemen zorgen voor vergeten taken, uitstelgedrag en chaotische planner. Vraag: “Kan mijn kind een huiswerkplanner gebruiken?
Hoe zit het met huiswerk?
Kan er een digitale reminder worden ingesteld? Kan er een checklist worden gebruikt?” Vraag ook: “Hoe wordt er omgegaan met taken die langer duren dan één les?”
Samenwerking en planning
De kracht zit in samenwerken. Jij kent je kind, de school kent het schoolsysteem.
Wie is de vaste contactpersoon?
Maak afspraken en evalueer. Vraag: “Wie is mijn vaste aanspreekpunt? En hoe vaak spreken we af?” Zorg dat je weet bij wie je terechtkunt, bijvoorbeeld de groepsleerkracht of de intern begeleider.
Wat zijn haalbare doelen?
Vraag ook: “Hoe communiceren we? Via e-mail, een schoolapp, of een schriftje?”
Wie doet wat?
Vraag: “Welke concrete doelen stellen we voor de komende periode?” Kies voor kleine, meetbare stappen: bijvoorbeeld “drie dagen per week de planner invullen” of “taken starten binnen twee minuten na instructie”. Vraag: “Hoe meten we of het lukt?” En: “Hoe vieren we successen?” Vraag: “Wat verwacht de school van ons als ouders? En wat kunnen wij thuis doen?” Soms is het goed om thuis te oefenen met plannen en organiseren, soms is het belangrijk om juist los te laten. Vraag ook: “Kan er een korte evaluatie na een week of twee?” Zo houd je tempo en voorkom je dat problemen blijven sluimeren.
Formele stappen en hulp
Soms is extra hulp nodig. Dan gaat het om een rugzakje, een arrangement of een verwijzing.
Is er meer nodig dan klassikale ondersteuning?
Vraag: “Is er een indicatie voor extra ondersteuning nodig? En hoe verloopt dat proces?” Denk aan een arrangement of een rugzakje. Vraag: “Wie regelt de aanvraag? En wat is de verwachte doorlooptijd?” Vraag: “Wordt er samengewerkt met een orthopedagoog, kinderpsycholoog of logopedist?” En: “Kan er een observatie worden gedaan door de school of door een externe professional?” Vraag ook: “Hoe wordt de overdracht geregeld als er nieuwe hulpverleners bijkomen?”
Wie is er betrokken buiten de klas?
Praktische voorbeelden van vragen per situatie
Soms helpt het om per thema te vragen. Hieronder vind je een paar praktische vragen per gebied.
Planning en organisatie
Vraag: “Hoe ziet de dagelijkse routine eruit? Kan mijn kind een visuele agenda gebruiken? Hoe worden taken opgedeeld in stappen?
Werkgeheugen
Worden er herinneringen gegeven voordat een taak begint?” Vraag: “Hoe wordt er rekening gehouden met het beperkte werkgeheugen? Worden instructies herhaald? Mag mijn kind aantekeningen maken of een schema gebruiken?” Vraag: “Hoe helpt de leerkracht bij het starten van taken?
Starten en volhouden
Wordt er een timer gebruikt? Is er een stappenplan?
Flexibiliteit en emotie
Wordt er geoefend met taken langdurig volhouden?” Vraag: “Hoe wordt er omgegaan met wisselingen en onverwachte gebeurtenissen? En hoe kun je moeite met executieve functies herkennen bij de emoties die horen bij frustratie of mislukken?”
De juiste toon: samenwerken
Stel vragen zonder te beschuldigen. Gebruik “ik”-zinnen en wees nieuwsgierig.
Zeg bijvoorbeeld: “Ik zie dat mijn kind worstelt met plannen. Ik wil graag begrijpen wat er in de klas gebeurt en hoe we samen kunnen helpen.” Zo blijf je in verbinding.
Conclusie
Het is belangrijk om executieve functieproblemen te herkennen voordat je kind naar groep 3 gaat, omdat dit vraagt om maatwerk en een stevig team.
De beste vragen zijn concreet, positief en samenwerkend. Vraag wat de school ziet, welke aanpassingen er zijn, wie het contactpersoon is en hoe je successen meet. Leer hoe je een testrapport over executieve functies leest, zodat je samen aan een plan bouwt dat werkt voor je kind.
En onthoud: je hoeft niet alles zelf te weten. Je hoeft alleen maar te vragen.
Veelgestelde vragen
Hoe kan ik de school overtuigen dat mijn kind problemen heeft met executieve functies?
Om de school te overtuigen, begin met concrete observaties van wat je ziet in de klas.
Welke strategieën kan een leerkracht gebruiken om een kind te helpen bij het starten van taken?
Stel vragen zoals: “Wat observeer je specifiek bij mijn kind tijdens de les? Wanneer lijkt het hem/haar moeite te hebben met concentreren of volhouden?” Focus op gedrag en situaties, niet op je eigen gevoelens, en vraag om voorbeelden van specifieke momenten. Een leerkracht kan proberen te achterhalen waarom een kind moeite heeft met starten.
Wat is het verschil tussen het observeren van gedrag en het geven van een oordeel over een kind?
Vraag: “Wat denk je dat het is dat mijn kind moeite heeft met het beginnen van taken? Helpt het om de taak in kleinere stappen te verdelen, of om een timer te gebruiken om te bepalen hoe lang de taak duurt?” Bied concrete suggesties, zoals het gebruik van een timer of het opdelen van taken in kleinere, behapbare stukken.
Welke rol speelt zelfinzicht bij het aanpakken van executieve functieproblemen?
Het is belangrijk om te vragen naar observaties in plaats van oordelen.
Hoe kan de school samenwerken met de intern begeleider of zorgcoördinator om ondersteuning te bieden?
Vraag bijvoorbeeld: “Kun je een specifiek voorbeeld geven van een situatie waarin je merkte dat mijn kind moeite had met concentreren, zonder te zeggen dat hij/zij ‘niet slim’ is?” Focus op objectieve beschrijvingen van het gedrag, zoals “hij/zij zat te dwalen” of “hij/zij had moeite om de instructies te volgen.” Het is cruciaal om te onderzoeken of het kind zelf bewust is van de problemen. Vraag: “Heeft mijn kind zelf door dat het lastig gaat met bijvoorbeeld plannen of concentreren? Wat zegt hij/zij zelf over wat hem/haar helpt of juist tegenhoudt?” Kinderen met executieve problemen kunnen zich kritisch op zichzelf stellen of juist totaal niet bewust zijn van hun valkuilen.
Om de samenwerking te verbeteren, vraag: “Hoe werkt de school samen met de intern begeleider of zorgcoördinator om kinderen met executieve functieproblemen te ondersteunen? Zijn er materialen beschikbaar, zoals een time-timer of een visueel takenbord, en hoe worden deze ingezet?” Vraag ook naar de frequentie van de ondersteuning en de manier waarop de school de voortgang volgt.